Zo kweek je succesvol een amandelboom en oogst je eigen amandelen in de tuin
Amandelbomen worden gekweekt als kleinere sierbomen, vooral gewaardeerd om hun uitbundige voorjaarsbloei in wit tot zachtroze, of als middelgrote bomen die eetbare zaden dragen: amandelen. Voor de boom betrouwbaar vruchten gaat geven, zijn meestal enkele jaren groei nodig, doorgaans rond de vijf seizoenen, voordat hij voldoende is aangeslagen en vruchtbaar wordt.
Botanisch gezien zijn amandelen geen echte noten. De vrucht van de amandelboom is een steenvrucht. Wat we later eten, is het zaad dat verborgen zit in de gelaagde opbouw van de vrucht. Aan de buitenkant zit eerst een groen, leerachtig vruchtvlees, daaronder een harde, lichte schaal en binnenin het bruine zaad: de eigenlijke amandel.
Amandelboom planten stap voor stap
Wanneer planten
Amandelbomen worden vaak verkocht als bomen met blote wortel. Die plant je in de rustperiode, meestal aan het einde van de winter of vroeg in het voorjaar, wanneer de boom beter aanslaat en minder stress ondervindt.
Standplaats kiezen
Een amandelboom heeft volle zon nodig. Voor een goede bloei en kans op vruchtzetting reken je op minstens zes tot acht uur direct zonlicht per dag. Ook de bodem is cruciaal: die moet water goed kunnen afvoeren. Zware kleigrond is ongunstig en langdurige natte voeten kunnen wortelsterfte veroorzaken. Bij het plannen van de plek is het verstandig de boom uit de buurt van water- en rioolleidingen te houden, op zijn minst ongeveer drie meter.
Plantafstand, plantdiepte en steun
Houd tussen de bomen ongeveer 4,5 tot 6 meter afstand, zodat er voldoende ruimte is voor de kroon én voor luchtcirculatie. De amandelboom vormt een duidelijke penwortel; daarom moet je een plantgat graven dat diep en breed genoeg is zodat de wortel niet hoeft te buigen of ingekort te worden. Plaats de penwortel in het midden en spreid de zijwortels voorzichtig uit.
Plant kuipplanten op dezelfde diepte als waarin ze in de pot groeiden. Bij blote wortel controleer je de wortelhals, de plek waar de wortels overgaan in de stam, zodat die net boven het bodemniveau uitkomt. Op winderige plekken loont tijdelijke steun met een boompaal. Bind losjes aan, zodat de boom nog licht kan bewegen en sterker wordt; na het eerste seizoen verwijder je de steun meestal.
Basisverzorging van de amandelboom
De belangrijkste voorwaarde voor succes is een geschikt klimaat. Als de streek geschikt is voor amandel, is de verzorging niet overdreven ingewikkeld, maar een paar regels zijn bepalend voor bloei, gezondheid en opbrengst.
Licht
Een amandelboom heeft volle zon nodig. Bij te weinig licht neemt de bloei en vruchtzetting af; bovendien verdicht de kroon sneller en droogt hij na regen slechter op.
Bodem en pH
Ideaal is een zandige leemgrond met uitstekende drainage en een pH van ongeveer 6,0 tot 7,0. Voor het planten helpt het de bodem dieper los te maken, zodat wortels de diepte in kunnen en de boom stabieler wordt en beter tegen droogte kan.
Water geven
Amandelbomen hebben voldoende water nodig, vooral tijdens de vruchtontwikkeling. Het doel is de grond gelijkmatig vochtig te houden, maar niet drijfnat. Te veel water en slechte afwatering verhogen het risico op wortelrot; daarom is het beter om, als de bodem het toelaat, minder vaak maar wel grondig water te geven dan vaak een klein beetje.
Temperatuur en luchtvochtigheid
De amandelboom stelt vrij strenge eisen. In de winter heeft hij een bepaald aantal koude-uren nodig, waarbij de temperatuur onder ongeveer 7 °C zakt, om in het voorjaar goed te kunnen bloeien. Na deze fase is een lange periode zonder vorst essentieel, omdat de vruchten vele maanden nodig hebben om te rijpen. De boom is gevoelig voor strenge wintervorst en late nachtvorst in het voorjaar kan de bloesem vernietigen en daarmee ook de toekomstige oogst.
In de zomer gedijt de amandelboom bij warmte, grofweg tussen 24 en 35 °C, en hij houdt meer van drogere lucht. Juist de combinatie van warmte en lagere luchtvochtigheid verklaart waarom amandel op grote schaal vooral in gebieden met een vergelijkbaar klimaat wordt geteeld.
Bemesten
In het voorjaar gebruik je een evenwichtige meststof. Je strooit in een band onder de buitenrand van de kroon, dus op de plek waar het water van de uiteinden van de takken op de grond zou vallen. De dosering hangt af van het product en de conditie van de boom, omdat overbemesten kan leiden tot sterke groeischeuten ten koste van bloei en tot een hogere gevoeligheid voor ziekten.
Bestuiving en rassenkeuze
Veel amandelbomen zijn niet zelfbestuivend. Voor een oogst heb je dan minstens twee rassen nodig die tegelijk bloeien, zodat ze elkaar kunnen bestuiven. Kwekerijen vermelden meestal welke bestuiver geschikt is en op welke afstand je de bomen het best plant. Een eenvoudigere optie is een zelfbestuivend ras, dat ook als solitair vrucht draagt, al kan de opbrengst in sommige gevallen hoger zijn met een extra bestuiver.
In de praktijk zijn voor hobbytuiniers rassen die later bloeien extra handig, omdat daarmee de kans op schade door late voorjaarsvorst afneemt. Er bestaan ook sterkere cultivars die voor koelere gebieden zijn veredeld, maar ook daarbij blijft het cruciaal het risico op late nachtvorst zo klein mogelijk te maken.

Zoete en bittere amandelen zijn niet hetzelfde
Naast de gangbaar geteelde zoete amandel bestaat er ook een bittere vorm. Bittere amandelen bevatten meer natuurlijke stoffen die giftig kunnen zijn en bij verkeerd gebruik vergiftiging kunnen veroorzaken. Daarom worden voor thuisteelt en consumptie in de praktijk vrijwel uitsluitend zoete amandelbomen uit betrouwbare bron gekozen.
Wanneer en hoe amandelen oogsten
De boom geeft zelf aan dat de oogst nadert. Het groene vruchtvlees begint open te gaan en te scheuren, waardoor de lichte, harde schaal zichtbaar wordt. Zodra dat gebeurt, kun je beter niet talmen, want de blootliggende vrucht wordt gemakkelijk beschadigd door insecten of opgemerkt door vogels.
Het eenvoudigst is om de vruchten uit de takken te schudden. Het helpt om vooraf een zeil onder de boom te leggen, zodat je de vruchten gemakkelijk kunt verzamelen en ze niet vuil worden. Na het rapen volgt het drogen, wat essentieel is voor de kwaliteit van de oogst. Eerst verwijder je het groene vruchtvlees, daarna spreid je de vruchten, nog in de schaal, in een dunne laag uit op een goed geventileerde plek. Handig is een ondergrond die lucht doorlaat en afdekken met gaas tegen vogels. Als er regen dreigt, moet je de oogst afdekken.
Je controleert of het droogproces klaar is door een paar stuks proefmatig te kraken. Als de kern binnenin hard is, is de oogst klaar. Is hij rubberachtig of zacht, dan moet hij verder drogen; anders dreigt schimmel tijdens het bewaren. Droge amandelen in de dop zijn bij kamertemperatuur vele maanden houdbaar.
Telen in potten en ruimtebeperkingen
Zelfs dwergamandelbomen zijn voor langdurige teelt in een pot vaak lastig, omdat de boom gaandeweg veel substraatvolume, stabiliteit en ruimte voor de wortels nodig heeft. Een pot kan tijdelijk of in de eerste jaren dienstdoen, maar voor een blijvende teelt is uitplanten in de volle grond meestal geschikter.
Snoei als basis voor een gezonde en productieve kroon
Regelmatige snoei in de rustperiode helpt de boom vitaal te houden en verbetert de licht- en luchttoetreding in de kroon. Je verwijdert dode en beschadigde takken, scheuten die naar binnen groeien, verdichtende delen die de luchtcirculatie belemmeren en ook takken die elkaar kruisen en schuren. Het doel is een stevige, overzichtelijke structuur die de oogst kan dragen en tegelijk de ziektedruk minimaliseert.
Vermeerderen en een jonge boom kopen
In de boomkwekerij worden amandelbomen vermeerderd door enten; dat zorgt voor een geschikte onderstam, betrouwbare raseigenschappen en goede vruchtbaarheid. Voor thuiskwekers is dit technisch uitdagend, daarom is een boompje van een gerenommeerde kwekerij de zekerste keuze. Voor sommige rassen kunnen bovendien vermeerderingsbeperkingen gelden.
Winterhardheid en voorkomen van vorstschade
De meest effectieve winterbescherming is de juiste rassenkeuze voor jouw regio. In het voordeel zijn rassen met hogere winterhardheid en vooral laatbloeiende types, waarbij de kans kleiner is dat ze door late voorjaarsvorst worden getroffen. Ook de standplaats speelt een belangrijke rol, bijvoorbeeld een lichte helling en een plek waar koude lucht niet blijft hangen.
Plagen en ziekten om op te letten
Belangrijke plagen zijn rupsen en larven van verschillende vlinders, die zich in de vruchten kunnen boren of knoppen kunnen beschadigen. Ook bladluizen en dopluizen kunnen verschijnen; hun zoete uitscheiding lokt mieren en verzwakt de conditie van de boom. Bij droog weer kunnen spintmijten zich soms sterk vermeerderen; je herkent ze aan fijne webdraden en je kunt ze ook terugdringen door de boom grondig met water af te spoelen.
Amandelbomen kunnen last hebben van schimmelziekten. Sommige infecties veroorzaken kankerachtige plekken en kunnen de boom ernstig beschadigen of zelfs doden; andere uiten zich als bladvlekkenziekte of het afsterven van delen van de plant. De belangrijkste preventie is een luchtige kroon, het opruimen van aangetaste resten, het beperken van langdurig natte bladeren en, indien nodig, het gericht inzetten van geschikte middelen afhankelijk van de actuele situatie.
Bron: The Spruce, Gardeners World , Pestrazahrada.cz
Gerelateerde artikelen
Kameramaryllis die jaren kan bloeien maar de meeste mensen gooien haar na de bloei onnodig weg
Hippeastrum, vaak kameramaryllis genoemd, is een spectaculaire bol voor in huis die bij goede verzorging jaar na jaar opnieuw kan bloeien. Met de juiste nazorg na de bloei bouwt de bol voldoende reserves op voor een nieuwe bloemstengel.
Zo kweek je winterknoflook met een beduidend hogere opbrengst, tuiniers kennen één truc
Bij winterknoflook draait het succes vooral om timing, standplaats en een goed voorbereid bed. Met een paar beproefde stappen, waaronder een eenvoudige sodatruc, maak je de aanplant sterker en de oogst groter.
Een boom of struik die je in de herfst goed plant, kan voorjaarsscheuten voor zijn en de vruchtbaarheid verbeteren
Veel fruitbomen en -struiken slaan bij aanplant in de herfst sneller aan dan in het voorjaar, omdat de wortels doorwerken zolang de bodem niet bevroren is. Dat geeft een voorsprong in groei en vaak minder gevoeligheid voor voorjaarsdroogte.
Reacties (0)
Wees de eerste die reageert.